Aardbevingen

Aardbevingen

Aardbevingen

De gaswinning veroorzaakt in grote delen van de provincie Groningen aardbevingen. Hierdoor ontstaat ook schade aan rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, beeldbepalende en karakteristieke panden, ons cultureel erfgoed.

Van nature vinden er in ons land jaarlijks vele tientallen aardbevingen plaats. Die zijn echter zo licht dat er weinig of niets van te merken is. Onze bouwregelgeving bevat dan ook geen richtlijnen voor ‘aardbeving bestendig bouwen’, we hebben simpelweg nooit rekening hoeven houden met aardbevingsrisico’s. Sinds de beving in Huizinge, augustus 2012, heeft iedereen het besef dat dit niet langer kan. Daarom is binnenkort de eerste (praktijk-)richtlijn voor ‘aardbevingsbestendig bouwen’ beschikbaar.

Kaartenhuizen
De gemiddelde bouwkwaliteit is in ons land altijd hoog geweest. Dat geldt ook voor monumenten. Maar onze traditionele bouwwijze met veel (ongewapend) metselwerk kan in het algemeen slecht tegen de wat zwaardere aardbevingen. Traditionele gebouwen zijn te vergelijken met kaartenhuizen: wanden, vloeren en daken zijn onderling relatief losjes verbonden. Daardoor kunnen bij bevingen muren ‘uit de constructie vallen’. Maar als zij stevig zijn verbonden tot een ‘constructieve doos’, neemt de weerstand tegen aardbevingen aanmerkelijk toe. Een stijve koppeling van wanden, dak- en de vloerconstructie maakt een traditioneel bouwwerk redelijk bestand tegen middelzware bevingen. Een voorwaarde is wel dat het metselwerk voldoende sterk is om de krachten tijdens een beving op te nemen. Dat is niet altijd het geval. Versterking van metselwerk bij bestaande gebouwen vereist echter ingrijpende maatregelen. Dit geldt nog meer voor het aanpassen van de fundering.

Als een gebouw door een aardbeving korte tijd ‘beweegt’ (trilt, schudt, schokt), ontstaan er allerlei spanningen in de draagconstructies én in de gebouwonderdelen die helemaal niet zijn bedoeld om belastingen te dragen. Dit kan resulteren in schade. Meestal in de vorm van scheuren in de fundering, het gevelmetselwerk, de gemetselde schoorstenen, de binnenwanden, de gestukadoorde plafonds of loskomende wandtegels. Dergelijke schade heeft geen vast patroon en ziet er in principe niet anders uit dan schade door bijvoorbeeld verzakkingen of gebreken aan de fundering, constructieve problemen of bouwfouten.

Constructieve schade
De schade als gevolg van gaswinning heeft voor een groot deel betrekking op metselwerk. Bij monumenten vraagt een vakkundig herstel hiervan de aandacht van specialisten. Voorafgaand aan de uitvoering van schadeherstel moet daarbij altijd de belangrijke vraag worden beantwoord: “Is de schade constructief of niet-constructief?!”. En dat is niet altijd gemakkelijk vast te stellen.

Door een plotselinge kracht, zoals een aardbeving, kunnen spanningen die al langer in het metselwerk aanwezig waren, ineens zichtbaar worden. Omgekeerd kunnen spanningen die door een plotselinge kracht ontstaan, een tijdlang verborgen blijven en pas later zichtbaar worden. Als echter duidelijk is dat door een plotselinge kracht constructieve schade is ontstaan, moet hiervoor een passende, op de situatie toegesneden oplossing worden gevonden. Vaak is die tamelijk ingrijpend. Daarom gaat het bij monumenten altijd om maatwerk, werk waar specialisten voor nodig zijn.

Niet-constructieve schade
Bij niet-constructieve schade kan vooral worden gekeken naar de esthetische kant. Het is daarbij niet altijd noodzakelijk om direct tot herstel over te gaan. Zogenaamd ’constructief herstel’ (bijvoorbeeld verankeren of lijmen) is meestal ongewenst. Hierbij wordt het metselwerk plaatselijk namelijk veel stijver dan oorspronkelijk en dat kan leiden tot flinke vervolgschade. Een voordeel van historisch metselwerk is juist dat het enige elasticiteit bezit en daardoor spanningen enigszins kan opvangen.

Scheuren in metselwerk ontstaan bijna altijd ter plaatse van de zwakste schakels: bijvoorbeeld bij raam- en deuropeningen of de aanhechtingen van aanbouwen. Met het oog op toekomstige gaswinningsschade is het verstandig deze plaatsen als ‘zwakste schakel’ te handhaven.

Bij niet-constructieve schade is het meestal het beste om alleen het voegwerk te repareren. Daarmee wordt voorkomen dat water in de scheuren of in de achterliggende constructie trekt. Bij bevriezing zal dit uitzetten, waardoor stukken metselwerk kunnen afspatten. Bij zeer smalle scheuren (haarscheurtjes) is het niet altijd noodzakelijk om tot reparatie over te gaan.

Voegwerk herstel
Ingrijpend herstel, zoals het uithakken en vervangen van gescheurde metselstenen, is in veel situaties niet gewenst. Zeker niet als het metselwerk bestaat uit een harde steensoort en is gevoegd met een harde specie: de kans op beschadiging van het omringende metselwerk is dan groot. Los daarvan zullen de herstelde delen meestal goed zichtbaar blijven. Bij bijzonder metselwerk betekent ingrijpend herstel bijna per definitie een aantasting van het aanzien van het monument; daarom is het doorgaans beter om alleen waar nodig het voegwerk te herstellen. Uiteraard met een juiste mortelsamenstelling en de juiste kleur.